Concert: Ex Tempore o.l.v. Florian Heyerick

13 januari 2008
10:00


Onze-Lieve-Vrouwekapel van het Elzenveld

Kaart wordt geladen...

Concert: Ex Tempore o.l.v. Florian Heyerick

 
Vrouwelijke componisten uit het 17de eeuwse Italië

 

Uitvoerders

 

Vocaal Ensemble Ex Tempore

onder leiding van Florian Heyerick

 

Annelies Brants, Goedele Heidbuchel, sopranen

Thomas Van Lede, bas

 

Jivka Kaltcheva, Liesbeth Nijs, barokviool

Marian Minnen, barokcello

Guy Penson, orgel

 

 

Programma

 

Isabella Leonarda  (1620-1704)

Domine ad adiuvandum (op. 19/1 – 1698)

Voor SATB, 2 violen, basso continuo

 

Alma Redemptoris Mater (op. 10/9 – 1684)

Voor SATB en basso continuo

 

Barbara Strozzi (16??-16??)

O Maria (alla Madonna) (Sacri Musiali Affetti, Venetië, 1655)

Voor Sopraan en basso continuo

 

Chiara Margarita Cozzolani (1602-ca. 1677)

O quam bonus es (Venetië, 1650)

Voor 2 sopranen en basso continuo

 

Antonia (“Antoinette”) Bembo – Padoani (ca. 1640-ca. 1720)

Beati, quorum remissae (Paslm 31)

Uit “Les sept Psaumes de David”, Parijs, na 1694

Voor 4 stemmen, 2 violen en basso continuo

 

Isabella Leonarda (1620-1704)

Magnificat anima mea (op. 19/10)

Voor SATB, 2 violen, basso continuo

 

 

TEKSTEN

 

Domine ad adiuvandum

 

Deus in adiutorium meum intende.

Domine ad adiuvandum me festina.
Gloria patri et filio : et spiritui sancto.
Sicut erat in principio et nunc et semper :
et in secula seculorum. Amen.

 

Alma Redemptoris Mater

 

Alma Redemptoris Mater, quae pervia caeli

Porta manes, et stella maris, succurre cadenti,

Surgere qui curat, populo: tu quae genuisti,

Natura mirante, tuum sanctum Genitorem

Virgo prius ac posterius, Gabrielis ab ore

Sumens illud Ave, peccatorum miserere.

 

Magnificat

 

Magnificat anima mea Dominum

Et exultavit spiritus meus in Deo salutari meo.

Quia respexit humilitatem ancillæ suæ:

ecce enim ex hoc beatam me dicent omnes generationes.

Quia fecit mihi magna qui potens est,

et sanctum nomen eius.

Et misericordia eius a progenie

in progenies timentibus eum.

Fecit potentiam in bracchio suo,

dispersit superbos mente cordis sui.

Deposuit potentes de sede et exaltavit humiles.

Esurientes implevit bonis et divites dimisit inanes,

Suscepit Israel puerum suum recordatus misericordiæ suæ,

Sicut locutus est ad patres nostros,

Abraham et semini eius in sæcula.

 

O Maria (alla Madonna)

 

O Maria, quam pulchra es, quam suavis, quam decora, o Maria, quam pulchra es !

Tegit terram sicut nebula lumen ortum in deficiens,

Flamma ignis, arca foederis, inter spinas ortum lilium, thronum Sion in altissimis, in columna nubis positum.

O Maria, …

Ante saecula creata, gyrum caeli circuivit sola, profundum abyssi, penetravit et in fluctibus maris ambulavit, omnium corda virtute calcavit, et in hereditate Domini morata est.

Tegit terram …

O Maria, quam pulchra es ! Alleluia.

 

O Maria, hoe schoon, hoe zoet en hoe bevallig zijt gij !

Het opkomende licht, de nooit-dovende vlam van het vuur bedekt de aarde als een wolk, ark van het verbond, de bloeiende lelie tussen de doornen, de troon van Sion in de hoge, geplaatst in een zuil van een wolk. Geschapen nog voor de wereld, heeft het alleen de hemelboog omspannen en drong het door tot de diepste diepten en bewandelde het de golven van de zee, in haar deugd alle harten winnend en vertoevend in de nalatenschap van de Heer.

 

O quam bonus es

 

O quam bonus es, o quam suavis, quam jocundus, mi Jesu.

O quam benigna es, o quam dulcis, o quam deliciosa, o Maria.
Diligenti, suspiranti, possidenti, degustanti te.

O me felicem, o me beatum, quo me vertam nescio.

Hinc pascor a vulnere, hinc lactor ab ubere

In vulnere vita, in ubere salus,

in vulnere quies, in ubere pax,

in vulnere nectar, in ubere favum,

in vulnere jubilis, in ubere gaudium,

in vulnere Jesus, in ubere, Virgo.

O me felicem, O me beatum, quo me vertam nescio.

Sanguis emundat, lac me purificat, sanguis me recreat, lac

refocillat, sanguis inebriat, lac me laetificat.

O vulnera, O ubera, O sanguis,

O lac, aurea vulnera, ubera dulcia.

Sanguis amabilis, nectare dulcior, manna jucundior.

Lac exoptabile, melle suavior, favo nobilius.

Te amo, te diligo, te cupio, te volo, te sitio,

te quaero, te bibo, te gusto.

O me felicem, O me beatum, quo me vertam nescio. Hoc

sanguine pascar, hoc lacte reficiar, in vulnere vivam, in

ubere moriar. O potus, O cibus, O risus, O gaudium;

O felix vita, beata mors.

 

O hoe goed zijt Gij, O hoe zoet, O hoe vreugdevol, mijn Jesus.

O hoe bevallig zijt gij, hoe zacht, hoe verrukkelijk, O Maria., u zoekend, verzuchtend, bezittend, smakend.

O ik gelukkige en gezegende, ik weet niet naar waar mij te wenden.

Nu laaf ik mij aan zijn wonde, nu voed ik mij aan haar borst ;

In de wonde is leven, in haar borst verlossing.

In de wonde is rust, aan haar borst vrede.

In de wonde is nektar, aan haar borst honing.

In de wonde is verrukking, aan haar borst vreugde.

In de wonde is Jesus, aan de borst, de Maagd.

O ik gelukkige en gezegende, ik weet niet naar waar mij te wenden.

Zijn bloed redt mij, de melk zuivert mij ; het bloed herbront mij, de melk herschept mij ; het bloed maakt mij dronken, de melk vervult mij met vreugde. O wonden, O borsten, O bloed, O melk, gouden wonden, zoete borsten.

O lieflijk bloed, zoeter dan nektar, vreugdevoller dan manna.O begerenswaardige melk, zachter dan honing, fijner dan een honigraat.

Ik heb u lief, ik zoek u, ik verlang er naar, ik wil het, ik dorst er naar, ik zoek het, ik drink het, ik proef het.

O ik gelukkige en gezegende, ik weet niet naar waar mij te wenden.

Ik wil mij voeden van het bloed, ik wil verfrist worden door de melk, ik wil leven van het bloed, ik wil sterven aan de borst. O drank, o voedsel, o lach, o vreugde ; o gelukkig leven, o zalige dood.

 

 

Beati, quorum remissae (Psalm 31 (32)

 

Heureux celuy dont les fautes passées dans le sein de l’obscurité se trouvent pour jamais pleinement effacées ; heureux qui de remords n’est point persecuté ; mais cent fois plus heureux encore est le coeur penintent, qui le Seigneur implore seur d’obtenir de luy le pardon desiré : qui desormais dépoüllé de tout vice de son juge irrité desarmant la justice peut regarder le ciel comme un prix assuré. A ces cruels mon ame assujettie poussoir de vains gemissemens, tandis qu’au milieu des tourmens je sentois chaque jour ta main appesantie.

En proye à mes ennuis, devoré de regrets pour m’éloigner de toy les lieux les plus secrets me paroissent un seur azile : mais en vain j’y voulu déguider mon peché, ah, Seigneur, qu’il est difficile de se cacher aux yeux à qui rien n’est caché. Pressé de mes douleurs j’ay confessé mon crime, je t’ay declaré mes forfaits, j’ay dit pour expier tant de maux que j’ay faits de la fureur de Dieu rendons nous la victime.

A peine au repentir me suis-je abandonné que mon peché s ‘efface, et tu m’as pardonné.

( Elisabeth-Sophie Chéron, 1648-1711))

Koorlink 13-01-08